Nu kom ik bij de onzegbare kern van mijn verhaal; hier begint mijn wanhoop als schrijver. Iedere taal is een alfabet van symbolen waarvan het gebruik een verleden veronderstelt dat de sprekers delen; hoe de anderen de oneindige Aleph over te brengen, die mijn huiverig geheugen nauwelijks kan bevatten? Mystici strooien in een soortgelijke trance kwistig met emblemen […]. Misschien zouden de goden mij niet eens de vondst van een gelijkwaardig beeld ontzeggen, maar dit verslag zou besmet zijn met literatuur, met onwaarheid.
Op het web vond ik een interessante paper over Borges (afstudeerwerkstuk?) van ene Rebecca Porinsky die Ann Charters’ The Story and It’s Writer citeert:
Wondering if he had ever created a single original line in his writing, Borges said that if the reader looks long enough, a source might be found for everything he wrote. To him invention was just ‘mixing up memories. I don’t think we’re capable of creation in the way that God created the world’
Geen wonder dat er soms moeite wordt gedaan om Borges bij de postmoderne schrijvers (wat dat dan ook precies mogen zijn) te rekenen. Wat Borges hier zegt is natuurlijk eigenlijk triviaal. Het is ons onmogelijk om iets volledig origineels te bedenken omdat onze breinen zijn gevormd in het bad van onze cultuur. Alles wat er in ons zit, is er ingestopt, dus alles wat er uit ons komt, kan in theorie tot een bron herleid worden. ‘[W]e are what we experience: who we are, and what we do and accomplish, stems directly from what we have encountered earlier’, zo omschrijft Porinsky deze opvatting.
Borges heeft zich zijn hele leven beziggehouden met deze materie. De hele tijd was hij zijn fictie zijn vorm aan het geven en weer aan het ontnemen, zijn verhalen aan het inbedden in schijnbare non-fictie. In al zijn verhalenbundels put hij zich uit in inleidingen, verklaringen en duidingen. Of hij daarmee de bedoeling heeft om dingen daadwerkelijk duidelijker te maken of om de lezer (en zichzelf?) verder het moeras in te trekken – om er op de bodem achter te komen dat er niet zoiets is als een werkelijkheid – is nooit duidelijk.
Toch heeft dit allemaal ook een andere kant. Waarom wordt iemand schrijver? Waarom schrijf ík? Natuurlijk schrijft een schrijver omdat hij iets wil met de taal, omdat hij, door het manipuleren van de taal – en dus in zekere zin de werkelijkheid – iets wil zeggen over de cultuur, over ons. Het spel met de lezer en alle prut die die in zijn leven in zijn hersenpan verzameld heeft, dat is de kern van de literatuur (schrijverij die zich daar niet mee bezig houdt, is simpelweg geen literatuur maar plat entertainment. Niet dat daar per definitie is mis mee is, maar literatuur is het niet).
Maar dat is het antwoord op de verkeerde vraag. Ik vroeg waarom schrijft een schrijver en ik schreef waarom schrijven belangrijk is. Het echte antwoord op de vraag is veel treuriger: een schrijver schrijft omdat hij niets anders kan. Omdat hij ongeschikt is voor honderd procent deel te nemen aan het leven. En zo zie ik Borges zitten: de schrijver, alleen in zijn kamer. Werelden scheppend, personages tot leven wekkend, ze weer ontmantelend, zichzelf op papier herscheppend, maar tegelijkertijd opgesloten in zijn eigen wereld.
Porinsky haalt een interview aan waarin Borges het labyrint, dat veelvuldig in zijn verhalen opduikt, ‘een symbool voor het verdwaald zijn in het leven’ noemt.
Precies. De schrijver als wanhopige eenzaat die onze eenzaamheid en wanhoop spiegelt. Dát is het basisprincipe van de literatuur en daar gaat metafysica niets aan veranderen.